Christ My Song-Logo
Platzhalter

Christ My Song - Liederen - Dutch hymns

l A l B l C l D l E l G l H l I l J l K l L l M l N l O l S l T l V l W l Z l

A
Aan de oosterkim verrijst de gouden morgen
Aan God en aan Zijn gunst is 't al gelegen
Ach! in 's werelds woest gedruis
Allen zijn wij erfgenamen
Als eens mijn laatste stonde slaat
A B C
B
Bewaar in mij de groeikracht, 't vruchtbaar hopen
Blijft bij Hem, die uit den hogen
A B C
C
Christus, die in 's werelds duister
A B C
D
Daal neder, Geest der Waarheid
De Heer kent al de zijnen
De rijkdom van een' Christen
De tijd snelt voort: met rasse schreden
De wolken pakken samen
De zonne keerde tot haar rust
Die den naam van Christen dragen
A B C
E
Een heerlijk lot is ons beschoren
Een mens doorleeft veel bange stonden
Een pelgrim, aan het eind der baan
Er is een lied, zo teder
Er zweeft een zwijgende engel
A B C
G
Geest der vad'ren, Geest der sterkte
Geleid door 's Heren trouwe hand
Geloofd zij God, het licht brak door
Gelukkig huis, o Redder onzer zielen!
Gij, die door al de eeuwen henen
Gij hebt, o God, den wens
Gij schone lelie op het veld
God, die Vader zijt van allen
God! neem het Uwe, neem het weer!
A B C
H
Heer! des daags vermoeinis en bezwaren
Heer en Zaligmaker!
Heer, het kwaad met stil geduld te lijden
Heer, mocht ik zonder tegenstreven
Hef aan het lied van 't sterven
Heil ons, de Vader heeft ons lief
Heil u, wier zielsbegeren
Heilig God! Uw oog
Het is winter. Dor zijn woud en zode
Het ridderkruis des Christens is
Hier kindren Gods, en boven erven
Hoe eindeloos en zonder perk
Hoe zal 't ons zijn, als we eindlijk, moê van 't dwalen
A B C
I
Ik en mijn huis, wij zijn bereid
Ik hoor Uw stem, mijn Herder
Ik neem, o Vader, wat Gij schenkt
Ik weet, dat ik zal zalig worden
In d' eersten bloei der Christenheid
Isrels Wachter, wil ons hoeden!
A B C
J
Ja, wij zijn reeds in den hemel!
A B C
K
'k Ben in de hoede van mijn' God
'k Geloof, en daarom spreek ik blij
'k Gevoel in 't hart het zoetst verblijden
'k Wens, o Heer! bij U te blijven
'k Wil in 't leed der wereld niet versagen
Keer toch weder, keer toch weder!
A B C
L
Laat mij rusten aan uw hart vol liefde
Laat mij toch, o Heer! gelovig bouwen
Liefelijk en heilig tevens
A B C
M
Met vriendelijk kleurengetover
A B C
N
Neem, Heer, den dank der Uwen aan
Niets haalt voor ons in waarde
A B C
O
O Gij, die ons bejegent
O Gij, door Wien mijn ziele leeft
O Heer, mijn God! wiens trouwe hand
O Heer, mijn God, zoals 'k Uw beeld
O Heer! tot Wien ik roep
O Heer! wat droegt Ge al leed en plagen
O, hoe men'ge schone stonde
O Jezus, Levenszonne
O rijke God en Heer
O Vaderoog, mijn schreden trouw bewakend!
O verblijdt u in Gods schepping!
O verblijdt u, volk des Heren
O welk een hemels, rein genoegen
Onberouwelijk
Oprecht van hart en vroom te zijn
A B C
S
"'s Heren uur nog niet gekomen!"
Schittrend moet uw lichtglans wezen
Schone wereld, tovergaarde
Staak uw droeve klacht, mijn kind
Stil en eenzaam was 't voordezen
A B C
T
't Is mij in 't Godsgebouw zo goed
't Loflied zij U toegezongen
Te vergeefs, o mens, is al uw streven
Tot God is mijne ziele stil
Trek, Heer, Uw hand niet van mij af
A B C
V
Vaak valt ons hier het leven
Verhef, mijn ziel! uws Scheppers lof!
Vloei daarheen, mijn leven
Vraag niet, wat ik blijf ontberen
A B C
W
Waar is Goddelijk erbarmen
Wat beweegt mijn hart?
Wat maakt gij door uw wenen
Wat ware vreugd, wat waar genoegen
Weent niet over Jezus' smarten
Wien stromen langs de wegen
Wij danken U, o trouwe Heer
Wij staan bij de open groeve
Wij zijn des Heren, in leven en sterven
A B C
Z
Zaaier, ga in Gods naam henen
Ziet, de winter is vervlogen
Ziet, wat grondeloze liefde
Zij de weg ook nog zo lang
Zijt gezegend, vredeboden
Zuivre bronwel, die van boven
A B C